Werpen en vangen met een jongleerbal

Jongleerballen

De dertig eerstejaars Calo-studenten krijgen 10 kilo rijst, 90 boterhamzakjes, 180 ballonnen (2 per bal) (2 scharen, 6 afgeknipte papieren bekertjes voor de maat) en de opdracht om voor jezelf drie jongleerballetjes te maken (zie bijlage). Het maken van je eigen jongleerballen zorgt direct al voor een andere relatie met dat wat je gaat doen. Het kiezen van de kleur van de ballon zorgt ook voor een betere binding. De grootte van de maat beker heeft te maken met de prijs van de rijst (toch wel duur) en met de grootte van de kleinste handen, de balletjes moeten lekker in je hand kunnen vallen (dus voor grotere handen iets meer rijst in de zakjes).

De cultuur rond de drie jongleerballetjes is dat je ze alle drie om beurten met beide handen in de lucht gooit. Een gemiddelde beweger kan in een half uur tijd leren om dat 5 keer achter elkaar te doen. Een week lang elke dag een half uur oefenen en je houdt de balletjes heel lang hoog. Een zwakke beweger doet er veel langer over en zal vaak tijdens het leerproces al afhaken. Als een zwakke beweger ook wil leren jongleren dan is het van belang dat er een methode is dat hij/zij volgt. Hieronder een stappenplan;

 

Stap 1

Start met 1 bal en verstop de ander uit het zicht zodat ze niet steeds om aandacht vragen en je teveel confronteren met je einddoel om het met drie balletjes te kunnen. Begin met het gooien van de bal omhoog en vang de bal weer op. Vaak gooi je automatisch al met je vaardige hand en wil je met dezelfde hand ook vangen, probeer eerst met beide handen te vangen en daarna met je minder vaardige hand. Belangrijk is dat de bal niet te vaak valt. 1 val op de 5 vangers is voor het zelfvertrouwen vaak nog wel acceptabel. Wanneer je de bal met je minder vaardige hand naar de vaardige hand gooit, zul je merken dat het niet om dezelfde balbaan gaat. Je linker- en je rechterhand doen nooit precies hetzelfde. Het leren omgaan met bewegingsverschillen is de kern van het leren en het genieten van het oplossen van die bewegingsproblemen is de kracht van bewegen. Dus voordat je door wil naar de rode piste, waar alles moeilijker is, dus voordat je door wilt naar de 2e bal, is het raadzaam om eerst het spel met 1 bal langer te spelen.

 

Stap 2

Als het werpen en vangen met 1 bal lukt op “je eigen wijze” (nivo 1), ga dan experimenteren met het hoger gooien van de bal, het lager vangen van de bal, het preciezer gooien van de bal zodat die als vanzelf in je andere hand valt. Ideaaltypisch, nodig voor 3 ballen, moet je de bal  omhoog gooien aan de kant van de vanghand, zodat die recht omhoog gaat en dan terecht komt in je vanghand. De gooibeweging vraagt dus om een richtingsverandering.

 

Stap 3

Voordat het oefenen van het “goede” te saai wordt is het boeiend je creativiteit te gebruiken. Welke trucjes kun je verzinnen op het moment dat de bal in de lucht is, bijvoorbeeld in je handen klappen, je tong uit steken, een rondje draaien, een versje op zeggen. Vroeger waren er allerlei kaatsspelletjes met een bal tegen de muur gooien. Je creativiteit kun je ook gebruiken bij het gooien en vangen zelf. Uiteindelijk kun je er een voorstelling van maken met trucjes met 1 bal, door middel van muziek, kleding, andere attributen enzovoorts. Dit past in de circuscultuur waar jongleren bij hoort.

Je kunt het werpen en vangen met 1 bal ook doen vanuit een sportcultuur, bijvoorbeeld steeds moeilijkere trucs. Misschien kun je het werpen en vangen met 1 bal ook verbinden met de mindfulness/meditatiecultuur. Welke gedachten, gevoelens en “gedoe” versterken of belemmeren het jongleren. Hoe ligt de bal in je hand, wat voel je bij het vangen, hoe werkt je hele lijf mee bij het werpen en vangen, wat gebeurt er met je ademhaling, hoe beoordeel je jezelf, waar ben je trots op, waarom wil je door naar 2 ballen? Okee, dan is het op een gegeven moment tijd om de 2e bal er bij te halen, daarover volgende keer meer. (zie bijlage leren jongleren)