Een spel leren spelen

Equiliberen met de grote patatzak, een spel  leren spelen.

“Sinds lang ben ik steeds stelliger tot de overtuiging gekomen, dat menselijke beschaving opkomt en zich ontplooit in spel, als spel.”.

J. Huizinga, Homo Ludens (1938)

Toelichting.

Deze tekst was bedoeld als verantwoording van een gezamenlijke afsluiting van een studiedag over “spelonderwijs”. Elke deelnemer zou een grote patatzak krijgen en de drie stappen zouden gedaan worden. Dit gegeven zal ik gebruiken voor mijn eindpresentatie, waar “een spel leren spelen” een metafoor is voor “het leven leren leven”. Naar de cursus toe zie ik een relatie met de derde stap; dat ik voor het eerst de lef had om mijn eigen uitdaging aan te gaan. Gecombineerd met mijn passie voor leren in het onderwijs.

Stap 1:

De taak (opdracht) is om de punt van de grote patatzak op de hand in evenwicht te houden. Het spelprobleem is het in evenwicht brengen van de patatzak mbt het in evenwicht houden van de patatzak. Als deze spelactiviteit nog onbekend is zijn de deelnemers gericht op het volbrengen van de taak die de activiteit aan hen stelt. Het halen staat centraal. Tijdens de eerste beurten is de leerling gericht op het voorkomen van mislukken. De speler leert voegen naar de structuur van de activiteit. Wanneer de activiteit vaker lukt dan mislukt, spreekt het basisdocument bewegingsonderwijs (BO) over niveau 1. Het spel is gericht op de taak:  het uitvoeren van alle deelhandelingen die nodig zijn om de patatzak in balans te brengen en te houden. De speelhouding wordt gekenmerkt door de spanning tussen mislukken en lukken. Voor sommige deelnemers levert deze spanning het zelfvertrouwen op van “geluk (t)” en voor anderen de angst voor de mislukking.

Stap 2:

Wanneer spelers erin slagen om met enige regelmaat de grote patatzak in evenwicht te houden (de taak succesvol uit te voeren)  ontstaat er een verschuiving van  ‘lukken’ naar ‘beter lukken’. Spelers zijn nu meer gericht op de details van de deelhandelingen zodat het spel (bewegingsverloop) optimaler uitgevoerd kan worden. Bij het equilibreren met de grote patatzak zijn de volgende details van belang: waar zet je de punt van de patatzak op je hand/vinger, waar kijk je naar tijdens het equilibreren, met welke lichaamsdelen zorg je voor balans bij de patatzak en balans in je lichaam? De antwoorden op deze vragen verwijzen naar een soort  “ideaal beeld” , die aangeeft wat de effectieve uitvoeringswijze is. De cultuur (sport/circus/onderwijs) heeft  over de “ideale vorm” veel methodische kennis (techniek) ontwikkeld die behulpzaam is bij het verbeteren van de spelactiviteit.  Het oorspronkelijke spelprobleem (in in evenwicht brengen en houden van de patatzak) wordt complexer door de culturele verwachting van de “ideale vorm”, waardoor de spelactiviteit efficiënter uitgevoerd kan worden. Het spel is meer gericht op de “vorm”en dan spreekt het basisdocument (BO) over niveau 2. De speelhouding wordt gekenmerkt door de spanning tussen “lukken en beter lukken”. Voor sommige deelnemers levert deze spanning de trots op van “de beste” en voor anderen de verveling van de herhaling.

Stap 3:

Voor elke speler is er nog een derde stap nodig om het spel te leren spelen. Zoals Johan Huizinga in 1938 al schreef zal de “homo ludens” zich altijd willen ontplooien in spel (als spel). De spelers gaan op zoek naar uitdagingen, willen zelf ervaren wat er nog meer te beleven valt. Bij stap 1 is de activiteit dominant en bij stap 2 vaak de docent of trainer, maar bij stap drie zal de speler de ruimte krijgen om zijn eigen wijze van doen (authenticiteit) te tonen aan anderen.
Het nieuwe vraag bij stap drie is  hoe de speler zelf “het goed opgeloste spelprobleem” opnieuw kan problematiseren.
De spelers gaan op zoek naar een “eigen” spelprobleem. Er zal een grote diversiteit te zien zijn: het opgooien en vangen van de patatzak, het draaien vaneen rondje met de zak, het equiliberen met de zak op het voorhoofd  enz. Veel spelers zullen hun spelprobleem zoeken in een “nieuwe taak” die mogelijk beter bij hun eigen behoefte past. Hierdoor is de leercirkel weer rond en kan stap 1 weergenomen worden. Het verschil is dat bij stap drie er een veilige sfeer is waarbij iedereen aan het uitproberen is.  De speelhouding wordt gekenmerkt door de spanning tussen “beter lukken”en “niet meer lukken” (stralend falen). Voor sommige deelnemers levert deze spanning het plezier van het “verrassende” (ludieke) op en voor anderen de zorg voor het falen.

Is het ludieke te leren?

De meeste spelers onderkennen wel dat het spel pas spannend is als er een bepaalde mate van “verrassing” is.  Vaak is het de omgeving, zoals het materiaal (bal, patatzak) of mede/tegenspeler, die  zorgt voor een toevalsfactor waardoor verrassing als van zelf ontstaat. Bij stap 1 en stap 2 zorgt de omgeving eigenlijk voor de “verrassing”. Bij stap 3 moet de speler zelf op zoek naar de “verrassing”. J. Huizinga schrijft hierover in “homo ludens (1938): “Uitgangspunt moet zijn de voorstelling van een nog haast kinderlijk speelzin, die zich activeert in tal van spelvormen, d.w.z. aan regels gebonden en aan het “gewone leven” onttrokken handelen, waarin ingeschapen behoeften aan ritme, alternering, antithetische climax en harmonie zich ontplooien.”

Misschien is dit “ludieke”te leren mbv de patatzak. Uitgangspunt is dan niet meer alleen de taak of de vorm, maar de uitdaging die er ontstaat in de afstemming tussen wat de patatzak wil en wat de speler wil. De patatzak wil “uit evenwicht” en de speler wil “in evenwicht”. Het spelprobleem is dan verschoven van “in evenwicht brengen en houden van de patatzak” naar “het in en  uit evenwicht brengen van de patatzak”. Wanneer de speler durft mee te bewegen met de valbewegingen van de patatzak ontstaat er “alternering (elkaar afwisselen), antithetische climax (tussen beter lukken en mislukken) en harmonie ( tussen patatzak en speler).   Deze uitdaging is gelegen in het zelf zoeken naar een “eigen” uitvoeringswijze van de “bekende”deelhandelingen. Het ritme van spelen wordt authentiek door de eigen keuze van momenten, tempi en richtingen die ontstaan door het equiliberen met de patatzak. Het spelprobleem wordt dan op een authentieke wijze opgelost, die niet meer overéénkomt met het “ideaal beeld”, maar wel met een nieuwe ambitie, speels te spelen.

Literatuur;


Homo Ludens, J. Huizinga (1938)
Basisdocument voor het basisonderwijs, C. Mooij  (2004)
Perspectieven op bewegen, M. van Berkel (2007)
Artikel: Video-Informatie en leerprocessen; 
A. Consten, G van Driel, W. Walinga (2013) 
(Lichamelijke opvoeding. Nr 7 2013)

bijlage;

De tol,   van Franz Kafka; (1910?) (uit verzamelde werk)

Een filosoof hield zich altijd daar op, waar kinderen speelden. En als hij een jongen zag met een tol, begon hij al te loeren. Nauwelijks was de tol aan het draaien, of de filosoof liep hem achterna om hem te pakken. Dat de kinderen schreeuwden en hem van hun speelgoed trachtten weg te houden, deerde hem niet, had hij de tol, terwijl hij nog draaide, gevangen, was hij blij, doch maar één ogenblik, dan gooide hij hem op de grond en ging weg. Hij geloofde namelijk, dat het begrijpen van iedere kleinigheid, dus ook bijvoorbeeld van een draaiende tol, voldoende was voor het begrip van het algemene. Daarom hield hij zich niet met de grote problemen bezig, dat leek hem oneconomisch. Als de kleinste kleinigheid werkelijk begrepen was, dan was alles begrepen, daarom hield hij zich alleen met de draaiende tol bezig.

En altijd als de voorbereidingen voor het opzetten van de tol werden gemaakt, hoopte hij dat het nu zou lukken, en als de tol draaide, werd, terwijl hij ademloos naliep, de hoop zekerheid, maar als hij dan het kleine stukje hout in de hand hield, voelde hij zich ziek en het geschreeuw van de kinderen, dat hij tot nu toe niet gehoord had en nu plotseling tot hem doordrong, joeg hem weg, hij wankelde als een tol die door de onhandige zweep wordt voort gedreven.