Radicaal humanisme in sportonderwijs

Radicaal humanisme in sportonderwijs.

https://youtu.be/WfrFraMV2EY


Aanleiding.


Drie jaar geleden schreef ik een artikel met de titel:  Vreedzaam pesten, spelen met een druppel medelijden ( zie site www.kvlo.nl) . Later werd een verkorte versie op de site van het NIVOZ gezet met de titel; De kern van een sportspel; vreedzaam pesten. Op social media kwam er zoveel commentaar op dat het van de website werd afgehaald. Een poging om het artikel te plaatsen in het tijdschrift waardenwerk, werd eerst positief ontvangen maar strandde ook in de redactieraad. Vrijdag 15 maart kreeg ik,  na de lezing van Harry Kunneman op een studiedag over ecologische pedagogiek, nieuwe inspiratie om het artikel te herschrijven.  Ik geloof dat de idee-en over radicaal humanisme een bijdrage kunnen leveren om anders tegen sport en onderwijs aan te kijken. Hieronder een poging omdat in een onderwijsvoorbeeld te verduidelijken. Het is aan de lezer om de verwantschap te ontdekken. Ik mis de taalvaardigheid om de verwantschap helder te omschrijven. Aan het einde zal ik een korte schets geven van mijn inspiratiebronnen.


Het spelen van een sportspel.
Het is lastig om in woorden weer te geven wat de kern van een sportspel is. Het aan het lijf ervaren van een sportspel is een makkelijker ingang om iets over eens portspel te verduidelijken. Een redelijk alternatief zijn videobeelden. Voor dit artikel kan het beste gekeken worden naar de sketch van het cabaretduo Kooten en de Bie waar ze een wedstrijd pingpong spelen.


De sketch begint als Van Kooten de tweede set met 21-4 wint en met de derde set wil beginnen. De Bie heeft geen zin meer om in de volgende set weer dik ingemaakt te worden. De Bie stelt voor om “pretpong” spelen, waarbij de bal mooi naar elkaar overgespeeld moet worden. Van Kooten gaat mee met het voorstel, maar kan het niet laten om na vijf keer overspelen de bal toch keihard naar de overkant te slaan. De Bie wordt boos op van Kooten en stopt met spelen. Van Kooten gaat daarna in zijn eentje door met een wedstrijdje tegen zichzelf. ( https://www.youtube.com/watch?v=PKOqi2rb-eE)


De sketch laat zien dat bij het spelen van een wedstrijd een tegenstrijdig belang aanwezig is tussen het ontnemen van speelkansen van de tegenspeler om zelf punten te scoren en het gezamenlijk belang om een spel met elkaar te spelen. Strijd en samenwerken zijn nodig om een wedstrijd te spelen. Als die wisselwerking niet in balans is omdat één speler zo veel beter is dan de andere speler, dan is de kans groot dat de verliezer, de minder machtige speler stopt met het spelen van het spel. Het alternatief om geen wedstrijden meer te spelen om de zwakke speler meer spelplezier te geven is een optie als de medespeler dat ook wil. Het is geen optie als de ander dat niet wil of niet kan, zoals van Kooten laat zien. Op campings zie je badmintonspelers dit wel kunnen. Zij slaan eindeloos lang de shuttle met veel genoegen naar elkaar over. 

De pingpongsketch gebruik ik als lerarenopleider om aan studenten uit te leggen dat de winnaar in de ogen van een verliezer eigenlijk een pester is. Een ander voorbeeld is het afpakken van de bal bij de tegenstander in een voetbalspel past, want deze handeling past in een definitie van pesten ( de Baar 2013):
“Iemand wordt gepest:
- Wanneer ‘hij of zij herhaaldelijk en langdurig blootstaat aan negatieve handelingen verricht door één of meer personen’
- Is een vorm van agressief gedrag waarbij sprake is van het systematisch, langdurig en opzettelijk schade (willen) toebrengen aan iemand anders
- Er is sprake van een asymmetrische machtsrelatie tussen pester en slachtoffer”


In deze definitie wordt gesproken van pesten als er een asymmetrische machtsrelatie is. De sport probeert door competitie indelingen er voor te zorgen dat de partijen/spelers meestal even sterk zijn, zodat er een gelijke machtsbalans is waardoor beide partijen evenveel kans hebben om te winnen. In een wedstrijd met een gelijke machtsbalans is het voorstelbaar om te beweren dat een verliezer moet leren om tegen zijn verlies te kunnen, of wel moet leren om af en toe gepest te worden, omdat die later ook weer mag terug pesten. Er ontstaat wel een probleem als een bepaalde partij altijd wint en een andere partij altijd verliest. Dit probleem kan in het sportonderwijs ontstaan omdat de kinderen in een klas niet geselecteerd zijn op hun sportieve vermogen. Een optie zou kunnen zijn om bij sportonderwijs alle (vaak goede) wedstrijdgerichte spelers in een groep te plaatsen en alle (vaak minder goede) andere spelers ook bij elkaar. Dit is niet mijn keuze. Ik wil graag dat alle kinderen met elkaar leren samen spelen in een onderwijssetting. Dit vraagt van de wedstrijdgerichte speler dat die tijdens de wedstrijd leert rekening te houden met de winstkansen van de tegenspeler. Huizinga formuleerde dat in zijn boek “Homo ludens” zo mooi: een speler moet leren spelen met een druppel medelijden voor je tegenspeler. De wedstrijd is pas voor alle spelers plezierig als ze beide partijen een kans hebben om te winnen. Het sportonderwijs (bewegingsonderwijs) kan er voor zorgen dat goede speler leert om in een wedstrijd tegen een mindere speler de regels en/of  omstandigheden zo aan te passen dat de goede speler minder kansen krijgt om te winnen en de mindere speler meer kansen. Bijvoorbeeld een netje bij een tafeltennistafel staat normaal in het midden, zodat beide speelhelften even groot zijn. Een goede speler kan er voor kiezen om het netje te verschuiven in de richting van de tegenspeler, zodat de goede speler een kleiner speelveld heeft om op terug te spelen en daarom minder kans heeft om te scoren en te winnen. In mijn eerste artikel noem ik dit vreedzaam pesten door een goede speler. Eigenlijk pest de speler zich zelf door een persoonlijke uitdaging te accepteren. Sporten is in wezen een vorm van strijden, de ander uitschakelen, van de ander willen winnen. Het is een vorm van lekker pesten en dat is acceptabel als beide partijen dat willen en er voor zorgen dat niet alleen de sterkste wint, maar dat iedereen af en toe kan winnen. Voor goede spelers die gewend zijn om in competitieverband te spelen is het lastig om deze wijze van spelen te leren, omdat de meeste trainers er vanuit gaan dat je vooral beter wordt als je wint en dat je vooral plezier beleeft als je gewonnen hebt. Het motief dat ik gebruik om de betere spelers te overtuigen van deze wijze spelen in het onderwijs, is hun persoonlijke belang om een betere speler te worden. Juist door je eigen speelcontext complexer te maken en door vaker onder druk te presteren is de kans groter dat je daardoor een betere speler wordt dan een goede speler die dat niet kan.

Drie inspiratiebronnen
Deze visie op sportonderwijs is mede ontstaan door het lezen van verschillende schrijvers waar ik graag naar verwijs.  De filosoof Achterhuis (2014) stelt dat onze samenleving ondenkbaar en onwenselijk is zonder conflicten. In zijn boek “De kunst van vreedzaam vechten” stelt hij dat botsingen van tegengestelde meningen en belangen een groot goed zijn voor een open samenleving. Het gaat volgens Achterhuis (2014) om de vraag over de wijze waarop we het conflict aan gaan, zodat het niet uit de hand loopt. Een zelfde soort benadering van vechten en agressie is te vinden in het boek van de filosoof Kunneman (2017) waarin hij pleit voor vreedzame begrenzing van onze behoefte om macht over de ander te hebben. Kunneman(2017) schrijft: “In dat kader kan aan agressie en aan almachtsstreven ook een positieve betekenis toegekend worden onder bepaalde voorwaarden kunnen die een uitdaging vormen om uit de schaduwconstructen van een ander tevoorschijn te komen en op te komen voor het eigen recht om te verschillen  van de verlangens van de ander zonder de relatie met hem of haar te willen verbreken, maar juist vanuit het voelbaar gemaakte verlangen om die relatie op meer “reële” basis voort te zetten en te verdiepen.”(168) . Achterhuis en Kunneman geven filosofische inzichten om anders tegen ruzie, geweld en pesten aan te kijken. Volgens Elias ( 2007 ) zijn wedstrijdsporten een goed voorbeeld om duidelijk te maken hoe mensen met elkaar samen leven, hoe ze omgaan met de spanningen die voortkomen uit allerlei machtongelijkheden tussen mensen en groepen. Volgens Paulle (2013):  “Elias saw that, in sports as well as in many other fields, emotionalbodily self-control tends to operate as the most fundamental power resource and as a prerequisite to the sedimentation of all kinds of abilities and forms of knowledge”.

Tot slot.
De bedoeling van deze tekst is tweeledig. Graag inspireer ik met deze tekst sport/bewegingsonderwijzers om op een andere wijze tegen sportonderwijs aan te kijken. Deze onderwijsvisie zorgt ervoor dat goede spelers inzicht krijgen in machtsongelijkheid bij wedstrijden en dat ze dat zelf op kunnen lossen door de context of hun eigen wijze van spelen aan te passen. De tweede bedoeling is om zelf te oefenen in het steeds op een andere wijze beschrijven van en inzicht waar kinderen volgens mij mee geholpen zijn.
Chris Hazelebach
Bewegingsonderwijzer.

Literatuur
Achterhuis, H. en Koning, N. (2014). De kunst van vreedzaam vechten . Rotterdam, Lemniscaat.
Elias, N., Dunning,E. (2007). Sport en spanning. Amsterdam, uitgeverij Bert Bakker.
Hazelebach, C. (2017). Vreedzaam pesten. Zeist,  website KVLO.
Huizinga, J. (2010, oorspronkelijk 1938). Homo Ludens. Amsterdam, University Press.
Kooten van, K., Bie de, W. (1980). Pingpong.  https://www.youtube.com/watch?v=PKOqi2rb-eE
Kuik, S. (1996). Mag ik op je rug? Amsterdam, Het Spinhuis.
Kunneman, H. (2017). Amor complexitatis bouwstenen voor een kritisch humanisme deel 2. Amsterdam, uitgeverij SWP.
Paulle, B., Heerikhuizen van, B., Emirbayer, M. (2012). Elias and Bourdieu. Journal of Classical Sociology. 12(1) 69-93. Sage.
Vendel, van de E. en Dalen van J. (2011) Het lekkere van pesten. Amsterdam, Atheneum.