Header 't Web

2 en 3 jongleerballen

In de vorige ‘overpeinzingen’ zijn we pijnlijk lang bezig geweest met één bal. De behoefte om door te gaan met twee ballen is bijna onbeheersbaar als je begonnen bent met het maken van drie jongleerballetjes. Waarom niet eerst één bal maken? De tweede jongleerbal krijgt zijn plaats in de minder vaardige hand. Eerst gaat de eerste bal vanuit de vaardige hand naar de andere hand, wanneer de eerste bal zijn hoogste punt van de balbaan heeft bereikt dan gaat de tweede bal de lucht in op weg naar de vaardige hand die in in zijn vangpositie zit te wachten op zijn komst. Helaas zal de tweede bal een andere balbaan volgen dan gewenst was.

Door de komst van de eerste bal zal de minder vaardige hand iets te gehaast de tweede bal weggooien en daardoor vaak te ver naar voren gaan. Hierdoor ontstaat de neiging om de tweede bal niet op te gooien maar door te geven. Vroeger konden veel meisjes heel goed kaatsenballen door de bal snel door te geven van de vanghand naar de vaardige gooihand. Op zich een prima techniek, maar voor het echte circusjongleren mag er niet doorgegeven worden. Het helpt als de jongleur tegen zich zelf zegt ‘gooi, gooi, vang’. Een ander hulpmiddel is om met de minder vaardige vanghand te beginnen. Oefenen, oefenen, oefenen, waarbij de bal weer niet te vaak mag vallen.


Bij twee ballen wordt het ook belangrijk om te letten op het ritme van gooien. De neiging is er om beide ballen bijna tegelijkertijd op te gooien en tegelijk te vangen. Ook mooi, maar voor later lastig omdat er dan geen ruimte is voor de derde bal.
Het ritme van de opgegooide ballen is waarneembaar op het hoogste punt van de balbaan. Voor een lekker ritme moeten de ballen steeds een zelfde hoogte halen en in een zelfde fasering (tijdslengte) boven zijn. Bij één bal hebben we al gezegd, dat de volgende bal gegooid moet worden als de andere bal op het hoogste punt is. Als het werpen en vangen met twee ballen lukt (nivo 1), is het verstandig om te gaan experimenteren met richtingveranderingen (hoger, lager), waardoor het tempo en moment van gooien ook anders wordt (ritme). De richtingsverandering van de gooibeweging voor de vanghand, wordt vaak weer vergeten omdat het nog niet echt nodig is. Later wel als de derde bal er bij komt. Pas wanneer je “macht” hebt over het werpen en vangen met twee ballen, is het weer aardig om je creativiteit in te brengen en op zoek te gaan naar leuke trucjes.  Het oefenen van trucjes zorgt er ook weer voor dat je fouten gaat maken, we noemen dat stralend falen (nivo 3). Jij kiest er zelf voor om het bewegingsprobleem groter te maken dan nodig is. Je maakt van je zelf weer een kluns, die faalt, maar er trots op is dat die zelf iets nieuws wil leren. Het gaat om het aftasten van je eigen grenzen en het zoeken naar nieuwe mogelijkheden die dan ook weer een begrenzing hebben.

De reis met twee balletjes eindigt vaak op de plek waar het derde balletje ligt, die ook mee wil spelen. Voor wie goed is met twee ballen, kan zo verder met drie ballen, het is een kwestie van doortellen. Start met twee ballen in je vaardige hand en één in je minder vaardige hand. Gooi bal één en zeg ‘één’, gooi bal twee en zeg ‘twee’ en bij het vangen van de tweede bal zeg je ‘vang’. Dus je zegt: ‘één, twee, vang’ in het goede ritme. Doe dit twee keer om voldoende zelfvertrouwen op te bouwen en dan zeg je bij de derde beurt: ‘één, twee, drie, vang’ en je zult zien dat dan de derde bal ook vanuit je vaardige hand de lucht in gaat en dat je met veel moeite de derde bal net niet of net wel vangt. Doe dit ‘één, twee, drie, vang’ net zo vaak tot je weer een ritme hebt gevonden die  voldoende vertrouwen geeft om ‘één, twee, drie, vier, vang’ te zeggen. Zo gaat het door. Het zeggen helpt voor het vinden van een ritme. Wees blij als het na een halfuur oefenen 5 keer lukt. Elke dag een half uur en dan …...

Wanneer je de hele methodiek van jongleren wilt weten kijk dan het artikel ‘Leren jongleren’.